Droogte KGT achtergronden en resultaten werkgroep
De droogteproblematiek op het Kanaal Gent-Terneuzen is een gezamenlijk vraagstuk voor Nederland en Vlaanderen. Zij maakten in 1960 en 1985 afspraken over de wateraanvoer naar het kanaal en het zoutgehalte. Daarom is de problematiek nu gezamenlijk opgepakt en is in de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie een tijdelijke werkgroep droogte Kanaal Gent-Terneuzen opgericht. De werkgroep bestudeerde hoe met de droogteproblematiek op het kanaal kan worden omgegaan
De werkgroep heeft onderzoek uitgevoerd naar de ernst en impact van de droogte en heeft mogelijke oplossingsrichtingen ontwikkeld, deels in samenwerking met North Sea Port. Op deze pagina vind je een uitgebreide samenvatting van het onderzoek.

Kanaal Gent-Terneuzen
Het Kanaal Gent-Terneuzen vormt de verbinding tussen de Westerschelde, Bovenschelde en Leie, via de Ringvaart bij Gent. Het is de toegang tot het havengebied van North Sea Port en de stadwateren van Gent. Daarnaast is het een belangrijke corridor voor scheepvaart tussen de Noordzee, het Vlaamse binnenland en Frankrijk.
Het kanaal wordt hoofdzakelijk gevoed vanuit de stuw van Evergem. De wateraanvoer naar het kanaal heeft een sterk seizoenaal karakter met hoge aanvoer in de winter en lage aanvoer in de nazomer. Bij Evergem wordt het water verdeeld over het kanaal Gent-Oostende, de Zeeschelde, de Gentse binnenwateren en het Kanaal Gent-Terneuzen. Een aanvoer groter dan 20 m³/s vanuit de Bovenschelde en de Leie is voldoende voor deze wateren, maar in de zomer en nazomer komt het regelmatig voor dat die aanvoer niet wordt gehaald.
Wat gaat er veranderen?
Klimaatverandering leidt tot drogere zomers en nattere winters. In de afgelopen jaren nam de wateraanvoer naar het kanaal al af. De minimale richtwaarde van zoetwateraanvoer voor het Kanaal Gent-Terneuzen is 13 m3/s gemiddeld over twee maanden. Dat werd de afgelopen jaren regelmatig niet gehaald.

Wateraanvoer vanuit de stuw Evergem in 2018 t/m 2022, berekend als tweemaandelijks gemiddelde in m3/s.
Bovendien zal het schutverlies via de sluizen toenemen. Enerzijds wordt verwacht dat het aantal scheepsbewegingen stijgt door de verdere ontwikkeling van de havens van Gent en Terneuzen. Anderzijds leidt de ingebruikname van de Nieuwe Sluis Terneuzen (augustus 2025) ertoe dat vaker gebruik wordt gemaakt van een grotere sluis, waardoor het gemiddelde verlies per schutting toeneemt.
Het water verlaat het kanaal richting de Westerschelde via het sluizencomplex in Terneuzen, voornamelijk bij het schutten van schepen. Het totale schutverlies wordt bepaald door het aantal schuttingen, het tijdstip waarop geschut wordt en welke sluis wordt ingezet. Daarnaast wordt er ook water gespuid via de sluizen wanneer de wateraanvoer vanuit Evergem groter is dan het schutverlies.
Wat zijn de effecten bij droogte?
Effect op peilbeheer
Wanneer de wateraanvoer naar het kanaal lager is dan het schutverlies naar de Westerschelde, daalt het waterpeil. Voor het kanaal is een streefpeil vastgesteld van NAP +2,10m/TAW +4,45m, met een afwijking van maximaal 25 cm. Bereikt het waterpeil de ondergrens, dan wordt het schutverlies beperkt door een of meer sluizen te stremmen rond laagwater in de Westerschelde, wanneer het schutverlies het hoogste is.
Effect op de scheepvaart
Momenteel zijn er in de zomerperiode van 1 juni tot 31 oktober ongeveer 25.000 schepen die het sluizencomplex in Terneuzen passeren. Ongeveer 75% hiervan is binnenvaart en 12,5% zeevaart. Met een slimme planning wordt aan ieder schip een schuttijd opgelegd om wachttijden te beperken.
De Nieuwe Sluis Terneuzen verhoogt de capaciteit van het sluizencomplex waardoor het op ieder moment makkelijker wordt om een schip te schutten en het gemiddelde aantal schepen per schutting toeneemt. Bij dreigende peilonderschrijdingen zal één of meerdere van de sluiskolken gedurende een aantal uur rondom laagwater gestremd moeten worden. Om te kijken wat het effect is op de wachttijden van de binnen- en zeevaart zijn er verschillende scenario’s doorgerekend bij een scheepvaarttoename van 10%.
Om de verwachtingen inzichtelijk te maken, zijn verschillende scenario’s gemodelleerd. Bij een droogte die zich eens per 10 jaar voordoet, zal de Nieuwe Sluis gedurende ongeveer twee weken 10 uur per dag gestremd zijn rond laag water in de Westerschelde en de Oostsluis een week lang 7 uur per dag. In een extreem droog jaar met klimaatverandering (rond 2050) zal de Nieuwe Sluis 7 tot 8 weken lang 10 uur per dag gestremd zijn, de Oostsluis 5 weken en de Westsluis een week. Op dat moment lopen de wachttijden op tot ongeveer anderhalf uur. Zelfs in die extreme situatie waarin alle sluizen een deel van de tijd gestremd zijn, kan de wachtrij bij de sluizen volledig worden weggewerkt tussen twee stremmingblokken door, mits goede planning en genoeg middelen om de afhandeling te begeleiden. Als de scheepvaart nog meer stijgt, zal het systeem mogelijk wel onder druk komen te staan tijdens droge periodes.
Rijkswaterstaat heeft een eerste reeks verkennende berekeningen gemaakt om een idee te krijgen van de mogelijke kosten van langere wachttijden voor de binnenvaart en de zeevaart. Het gaat om een inschatting over een periode van honderd jaar, waarbij rekening is gehouden met zowel de economische groei als met de verwachte toename in frequentie van extreme situaties door klimaatverandering.
Uit deze berekeningen blijkt dat de totale maatschappelijke kost kan oplopen tot ongeveer 429 tot 475 miljoen euro. Die kosten ontstaan vooral doordat schepen later kunnen doorvaren, waardoor leveringen vertraging oplopen en transporttijden toenemen. De impact ligt in grote lijnen ongeveer gelijk verdeeld tussen binnenvaart en zeevaart.
Effect op het zoutgehalte
Het zoute Westerscheldewater komt via het schutten op het kanaal. Bij hoge wateraanvoeren vanuit Evergem is er een laag zoutgehalte (winter) en bij lage afvoeren een hoog zoutgehalte (zomer en najaar). Het zoutgehalte is hoger bij de sluizen van Terneuzen dan in de dokken bij Gent. Aangezien zout water zwaarder is dan zoet water, meten we de hoogste waarden boven de kanaalbodem. In de afgelopen jaren is het regelmatig voorgekomen dat het water in het hele kanaal zout was: van Terneuzen tot aan de dokken in Gent.

Modelberekeningen laten zien dat het zoutgehalte in de toekomst stijgt, afhankelijk van scheepvaartintensiteit en aanvoerscenario’s. Door klimaatverandering neemt het risico op een extreem droge zomer toe.

Effect op bedrijfscaptaties
Momenteel zijn er zo’n 25 bedrijven die water capteren (aftappen) uit het kanaal en de kanaaldokken, voornamelijk aan de Vlaamse zijde. Het meeste water wordt terug geloosd. Het periodiek oplopende zoutgehalte van het kanaalwater vereist installaties die resistent zijn tegen roest. Een hogere zoutlast kan leiden tot een hogere onderhoudsfrequentie van de installaties. Bestaande ontziltingsinstallaties moeten mogelijk aangepast worden aan de hogere zoutlast. Mocht dit structureel zijn, dan moeten bedrijven overschakelen op resistentere materialen en meer energie-intensieve procesinstallaties. Ook kunnen bedrijven gebruikmaken van ontziltingsinstallaties of het kanaalwater mixen met alternatieve waterbronnen. De situatie van de afgelopen jaren en vooral de onvoorspelbaarheid daarvan heeft al veel bedrijven gedwongen hun processen aan te passen, omdat dit tot problemen in de productie leidde.
Effect op kanaalinfrastructuur
Om de stabiliteit van de damwanden te garanderen, moet voorkomen worden dat het kanaalpeil zakt onder het minimumpeil. Met sluisstremmingen wordt dit gegarandeerd. Een verhoogd zoutgehalte versnelt naar verwachting de corrosie van de damwanden en kaaimuren. Bij het ontwerp en de renovatie van damwanden en kaaimuren zijn mogelijk resistentere materialen nodig. Ook is vaker inspectie en herstel nodig. Deze aanpassingen kunnen worden meegenomen in geplande werkzaamheden. Zo wordt er bij de renovatie van de veerhavens in Langerbrugge bijvoorbeeld al rekening gehouden met zoutere omstandigheden.
Effect op de natuur in het kanaal en de zijlopen
In het water van het kanaal en de zijlopen leven vissen, algen en geleedpotigen. Op de waterbodem leven bodemdieren en waterplanten. De vispopulatie bestaat uit een beperkt aantal zouttolerante soorten. In droge periodes met verhoogde zoutgehaltes verblijven alleen de sterk zouttolerante soorten in het kanaal. De minder zouttolerante soorten verplaatsen dan stroomopwaarts naar minder zout water. In zoetere periodes keren minder zouttolerante soorten terug. De gemeenschappen zijn mobiel. De Moervaart en Zuidlede hebben een grotere soortenrijkdom met meer zoetwatersoorten en fungeren dus als schuilplaats.

Verdere verzilting zal zorgen voor verschuiving richting zouttolerante soorten. In het Vlaamse deel van het kanaal kan een definitieve verschuiving naar brakwatersoorten plaatsvinden. Bij verdere verzilting van de zijlopen kan het zijn dat de zoetwatersoorten de zijlopen niet langer als een toevluchtsoord kunnen gebruiken. De veerkracht van het systeem kan enkel behouden blijven als er voldoende lange ‘zoete’ periodes zijn om de competitie met zoutminnende soorten te handhaven.
Naast deze invloed van zout moet ook rekening worden gehouden met impact van waterkwaliteit op de aquatische ecologie. Het kanaalwater is verontreinigd met metalen, bestrijdingsmiddelen en koolstofverbindingen. Bovendien leidt zomerdroogte tot een daling van de ververstijd en een stijging van de watertemperatuur.
Effect op grondwater
In Nederland wordt het grondwater rond het kanaal gevoed met kanaalwater en bestaat er een kwelsituatie. Het grondwater stroomt er naar de sloten en kwelbuizen onder de akkers. Het kwelwater is van nature brak tot zout en daarmee ongeschikt voor landbouw. Gewassen op de akkers zijn voor hun groei afhankelijk van het ondiepe grondwater, dat wordt gevoed door de regen en zogenaamde zoetwaterlenzen vormt.
Toename van verzilting van het kanaalwater in de zomer leidt heel langzaam tot gemiddeld hogere chlorideconcentraties in het grondwater. Dat zal op langere termijn leiden tot hogere zoutgehalten in de sloten. Dit heeft naar verwachting geen effect op de zoetwaterlenzen. Hierdoor wordt verwacht dat eventuele effecten op de akkerbouw verwaarloosbaar zijn. De werkgroep laat een grondwateronderzoek uitvoeren naar de omvang en ontwikkeling van de zoetwaterlenzen.
In Vlaanderen voedt het grondwater het kanaal. Langs de zijlopen infiltreert kanaalwater naar het grondwater in de zomer en stroomt het terug in de winter.
Andere effecten
Naast de eerder genoemde effecten zijn er nog verschillende andere gevolgen. De Moervaart is bijvoorbeeld een belangrijke bron van zoetwater voor landbouwers tijdens droge periodes. Wanneer het water zouter wordt, is het niet langer geschikt als drinkwater voor dieren en kan het ook niet meer worden gebruikt om gewassen te beregenen. In de afgelopen jaren leidde dit al tot captatiebeperkingen.
Ook de drinkwaterbekkens van Kluizen vormen een belangrijk aandachtspunt. Ze zijn essentieel voor de regio en moeten altijd zoet blijven. Hoewel de waterlopen die deze bekkens voeden niet rechtstreeks verbonden zijn met het kanaal, en de effecten dus in theorie beperkt zijn, kan een zouter wordend kanaal toch risico’s opleveren. Een slecht werkende terugslagklep kan bijvoorbeeld een bedreiging vormen. Goede controle en monitoring blijven daarom noodzakelijk.
Onderzoek naar maatregelen
Na de eerste fase van het onderzoek naar de ernst en gevolgen van droogte, is de werkgroep vanaf 2023 in fase 2 aan de slag gegaan met mogelijke oplossingen. Het doel van deze fase was om het Ambtelijk College van de VNSC te adviseren over maatregelen die helpen om beter om te gaan met droogte in en rond het Kanaal Gent-Terneuzen.
De werkgroep heeft kansrijke maatregelen geselecteerd en beoordeeld. Daarbij is gekeken naar wat technisch en juridisch haalbaar is en hoe de verschillende belangen – zoals scheepvaart, natuur en landbouw – het best in balans kunnen worden gebracht.
Wat zijn mogelijke maatregelen?
Om de droogteproblemen rond het kanaal aan te pakken, zijn verschillende maatregelen onderzocht. Deze maatregelen kunnen worden onderverdeeld in de volgende categorieën:
Waterverlies beperken: Door het waterverlies te beperken, kan het kanaalpeil tijdens droogte beter op peil blijven – bij voorkeur zonder scheepvaartstremmingen. Een voorbeeld is het pompen van water vanuit de Buitenhaven naar het kanaal.
Zoutbeperking Terneuzen: Het sluizencomplex bij Terneuzen is de bron van het zout op het kanaal. Verlagen van de zoutlast via het sluizencomplex beperkt de verzilting over heel het kanaal.
Maatregelen langs KGT: Ook in het kanaal zelf kunnen maatregelen genomen worden om de verspreiding van het zout vanaf benedenstrooms (bij Terneuzen) richting bovenstrooms (richting Gent) te beperken. Dit kan bijvoorbeeld door de menging te verbeteren, waardoor het zout makkelijker weggespoeld kan worden.
Zout grondwater beperken: Water vanuit het kanaal infiltreert in het grondwater. Dit leidt tot zoute kwel naar omliggende gebieden. Deze gebieden kunnen beter beschermd worden door bijvoorbeeld extra kwelsloten.
Maatregelen zijtakken: Langs het kanaal zijn een aantal zijtakken aanwezig – de Moervaart, de Zuidlede en de Avrijevaart. Deze zijn van ecologisch belang en kunnen met aanvullende maatregelen extra beschermd worden tegen zoutindringing.
Extra aanvoer zoetwater: Een hoger debiet over het kanaal geeft meer tegendruk voor het zout en vermindert de zoutindringing.
Overige maatregelen: Deze richten zich op het ontzilten van het kanaalwater, de aanleg van ontziltingsbekkens voor proceswater en de bescherming van infrastructuur tegen corrosie.

Overzicht mogelijke type maatregelen langs het kanaal.
Hoe zijn de maatregelen beoordeeld?
De werkgroep heeft een mogelijke maatregelen opgesteld en deze stap voor stap teruggebracht tot een selectie van kansrijke maatregelen. Maatregelen met onoverkomelijke technische beperkingen, ruimtelijke knelpunten, onvoldoende effectiviteit, ongewenste neveneffecten of juridische obstakels zijn daarbij afgevallen.
De overgebleven maatregelen zijn vervolgens gebundeld in pakketten. Daarbij is gekeken naar hun aard – operationele maatregelen die snel inzetbaar zijn versus constructieve oplossingen die ingrijpender zijn – en naar hun bijdrage aan het beperken van de belangrijkste effecten van droogte: verzilting en problemen met peilbeheer. De pakketten variëren van maatregelen met beperkte tot grote impact.
Elk pakket is daarna beoordeeld op meerdere criteria om een compleet beeld te krijgen van de gevolgen voor mens, natuur en economie. Er is onder andere gekeken naar:
Technische haalbaarheid en ruimtelijke inpassing: kunnen de maatregelen in de praktijk worden uitgevoerd?
Invloed op scheepvaart en sluizen: hoe veranderen de wachttijden en de bereikbaarheid voor schepen?
Verzilting: neemt het zoutgehalte toe of af, en wat betekent dat voor de natuur en bedrijven?
Waterkwaliteit en ecologie: wat zijn de effecten op planten, dieren en algen in en rond het kanaal?
Energieverbruik en duurzaamheid: hoeveel energie kost de maatregel?
Investeringskosten en juridische haalbaarheid: is uitvoering realistisch binnen de huidige regels en middelen?
Door al deze criteria samen te bekijken, ontstond een integraal beeld van de gevolgen van elk pakket. De analyse maakte duidelijk dat geen enkel maatregelpakket op alle punten goed scoort.
Een maatregel die het gebruik van het kanaal voor scheepvaart robuuster maakt, kan bijvoorbeeld leiden tot meer verzilting, terwijl maatregelen die verzilting tegengaan soms gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van sluizen of de kosten. Geen enkel maatregelpakket, zelfs niet het meest uitgebreide, kan er tegelijkertijd voor zorgen dat het kanaal voortdurend op peil blijft én het watersysteem voldoende zoet blijft. Dit benadrukt dat er keuzes moeten worden gemaakt en dat de verschillende belangen zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen.
Wat zijn mogelijke perspectieven?
Om de verschillende belangen goed in beeld te brengen zijn gesprekken gevoerd met Vlaamse en Nederlandse stakeholders uit sectoren zoals natuur, landbouw, scheepvaart, industrie en overheden. Daaruit bleek dat de standpunten sterk uiteenlopen: waar de ene partij het huidige systeem zoveel mogelijk wil behouden, richten anderen zich vooral op een betere bereikbaarheid voor de scheepvaart of op het tegengaan van verzilting.
Op basis van deze gesprekken en het onderzoek zijn verschillende perspectieven opgesteld. Elk perspectief vormt een redeneerlijn die uitgaat vanuit specifieke belangen en laat zien welke maatregelen, effecten en afwegingen daarbij horen. Samen helpen deze perspectieven om keuzes te maken voor een toekomstbestendig kanaalsysteem, en om te bepalen welke maatregelen op korte termijn al nodig kunnen zijn om effecten te beperken in afwachting van structurele oplossingen.
Uit de analyse kwamen vijf perspectieven naar voren:
Operationeel optimaliseren – maximaal benutten wat er nu al is.
Een droogte-robuust sluizencomplex – alle aandacht voor bereikbaarheid en een betrouwbare scheepvaart.
Behoud van het zoet/brakke systeem – verzilting zoveel mogelijk voorkomen.
Toegang verbeteren met oog voor natuur – zoeken naar balans tussen bereikbaarheid en ecologie.
Gerichte natuurbescherming met stapsgewijze verbetering van de toegang – eerst kwetsbare natuur beschermen (door zijwaterlopen deel los te koppelen van het kanaal), daarna geleidelijk de bereikbaarheid verbeteren.
Beoordeling van de perspectieven
Het onderzoek laat zien dat de droogteproblemen op en rond het Kanaal Gent-Terneuzen structureel zijn. De natuurlijke ontwikkelingen zullen in de toekomst leiden tot een verdere toename van verzilting en sluisstremmingen. Tegelijkertijd is het noodzakelijk om te voldoen aan de Europese waterkwaliteitsdoelen (Kaderrichtlijn Water – KRW) én de bereikbaarheid voor scheepvaart en bedrijven te behouden.
Geen enkele maatregel lost alle uitdagingen tegelijk op. Op basis van het onderzoek in combinatie met de input van de stakeholders lijkt de beste balans gevonden te worden met het perspectief “Gerichte natuurbescherming met stapsgewijze verbetering van de toegang”. Dit is de enige aanpak die zowel aan de KRW-eisen kan voldoen als de bereikbaarheid van het kanaal verbetert.
Wat houdt deze aanpak in?
Korte termijn – focus op natuur en waterkwaliteit
Bescherming van zijwaterlopen (Moervaart en Zuidlede) tegen verzilting met lokale ingrepen (zoals bijvoorbeeld een stuw of sluis).
Tijdelijke maatregelen om verzilting te beperken bij de sluizen, zoals stremmen op zout of bellenschermen.
Aanpassing kaders om op lange termijn duurzame en haalbaar het systeem te kunnen beheren.
Lange termijn – focus op bereikbaarheid
Door water uit de Buitenhaven te pompen, wordt er extra toevoer van water naar het kanaal mogelijk gemaakt. Dit is momenteel de enige realistische manier om de scheepvaart minder afhankelijk te maken van de grillige gevolgen van droogte.
Met deze gefaseerde aanpak kan het kanaal zich ontwikkelen tot een watersysteem dat zowel ecologisch veerkrachtig als goed toegankelijk blijft voor scheepvaart en bedrijven.