11 maart 2026

Kennisdeling eerstelijnsrapportages MONEOS

Op 29 januari organiseerde de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) een kennisdeling over de eerstelijnsrapportages van MONEOS. Binnen dit onderzoeks- en monitoringsprogramma voeren verschillende organisaties metingen uit in het Schelde-estuarium. Zij brengen elk jaar eerstelijnsrapportages uit met de belangrijkste conclusies en trends. Onderzoekers van Deltares, het Waterbouwkundig Laboratorium (WL) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) lichtten de metingen uit 2024 en eerder toe.

Eerstelijnsrapportage Deltares

De eerste spreker, Willem Stolte (Deltares), deelde belangrijke trends in de Westerschelde van 1998 tot nu. Uit de data blijkt dat de watertemperatuur in de zomer, de waterstanden en het zoutgehalte stijgen. Landinwaarts neemt de getijslag – het verschil tussen hoog- en laagwater – toe. Ook is vastgesteld dat groenalgen plaatsmaken voor andere soorten algen, waarschijnlijk doordat het water zouter wordt.

Opgelost stikstof neemt verder af, de hoeveelheid silicaat blijft ongeveer gelijk en organisch koolstof neemt af. Verder neemt de vervuiling door metalen, PAK’S en bestrijdingsmiddelen in zwevend stof af.

De gemeten hoeveelheid koolstof in de bodem varieert over de jaren. Tegelijk nemen ook in de bodem de metalen langzaam af. Een uitzondering is het giftige arseen: dit blijft gelijk of neemt zelfs toe. Van andere schadelijke stoffen blijven de PAK’s in grote lijnen gelijk, maar nemen PCB’s en tributyltin af.

In de eerstelijnsrapportage van Deltares staan ook meetresultaten van schadelijke stoffen in dieren. Zo zien onderzoekers meer metalen, maar minder pcb’s en vlamvertragers terug in de bot. Bij mosselen nemen pcb’s, vlamvertragers en organotin af, maar blijven bestrijdingsmiddelen gelijk of variabel.

Wilt u meer weten over de metingen in de Westerschelde? Bekijk hier de rapportage op de Scheldemonitor. Let op: deze versie van de rapportage wordt nog vernieuwd met de gegevens tot en met 2024.

Eerstelijnspresentatie Waterbouwkundig Laboratorium

Stijn van Goethem (Waterbouwkundig Laboratorium) presenteerde de eerstelijnsrapportage van het Waterbouwkundig Laboratorium over de Zeeschelde.  

Volgens de metingen neemt het aantal gevaarlijke stormtijen bij Antwerpen af. Stormtijen kunnen wateroverlast geven, omdat de harde wind het al hoge water dan verder opstuwt. Over deze afname werd kort gediscussieerd. Mogelijk hebben ontpoldering en extra ruimte voor de Schelde een effect, doordat zo de waterstand lager wordt.

Hoewel 2024 een nat jaar was, stroomde er minder water van Gent via de Zeeschelde naar Antwerpen. Door een aangepast beheer van de stuwen bij Gent werd minder water doorgelaten. In 2024 zijn ook fysische parameters gemeten op verschillende plekken. Zo lag de watertemperatuur in de winter iets hoger dan in vorige jaren. Uit berekeningen blijkt dat het zoutgehalte dat jaar gemiddeld laag was.

De metingen laten verder zien dat de concentraties van zwevend stof in het water sterk verschillen in ruimte en tijd, onder meer door het getij en baggerwerkzaamheden. Op de verschilkaarten in het rapport is bovendien te zien waar het dieper en ondieper is geworden. In vergelijking met 2023 is er weinig veranderd, behalve in zijrivier de Durme waar het watervolume onder 0 mTAW met 26% is toegenomen.

Bezoek voor meer informatie de website Waterinfo. Klik op Jaarrapporten en dan op MONEOS-rapporten. Het jaarboek monitoring WL 2024 is de jaarrapportage.

Eerstelijnsrapportage Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Ook het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) heeft een eerstelijnsrapportage opgeleverd. De thema’s waren: ecotopen, soortenrijkdom en morfodynamiek in de Zeeschelde. Gunther Van Ryckegem (INBO) gaf een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen.

De meeste ecotopen in de Beneden-Zeeschelde blijven stabiel, maar in de Boven-Zeeschelde ontstaan op lange termijn meer schorren en minder pionierszones. Dankzij de ontpolderingen vanuit het Sigmaplan neemt de estuariene natuur toe.

Uit de gegevens over vegetatie (plantengroei) blijken duidelijke verschuivingen. Brakwaterschorren en zilte graslanden nemen sterk af. Verzilting in de zoet-zoutovergang leidt tot minder bos en meer brakke rietvegetatie. Tegelijk zien we lokaal zeldzamere pioniersoorten, zoals blauwe waterereprijs, dankzij nieuwe natuurontwikkeling.

In 2023 zijn er opvallend veel bodemdieren, wat mogelijk te maken heeft met een tijdelijke afname van epi- en hyperbenthos (zoals garnalen, aasgarnalen en jonge vis). Verschillende van deze soorten eten namelijk bodemdieren. In 2024 nam het epi- en hyperbenthos verder af, vooral in de zwak brakke zone van de Zeeschelde. Ook bij de vissen werden belangrijke signalen vastgesteld: met 34 soorten kende 2024 het laagste aantal sinds de start van de metingen in 2009.

Bij overwinterende watervogels is er na jaren van achteruitgang sinds kort een lichte heropleving, mogelijk dankzij meer bodemdieren en de nieuwe Sigmagebieden. Tegelijk nemen erosie en hydrodynamiek in de Zeeschelde sterk toe. In 2025 is er sprake van versnelde erosie van slik- en schor in de zoete zone. Volgens het INBO is verder onderzoek nodig om deze snelle morfologische veranderingen beter te begrijpen.

Meer weten? De eerstelijnsrapportage verschijnt binnenkort op de website van de Scheldemonitor.  

Input voor T-rapportage

Voor een goed beleid en beheer van de Schelde moeten de feiten helder zijn. De MONEOS-eerstelijnsrapportages van 2024 hebben een schat aan feiten opgeleverd. Wat die precies betekenen voor het Schelde-estuarium, is een vraag voor de eerstvolgende T-rapportage. Elke zes jaar levert de VNSC een nieuwe T-rapportage op met een evaluatie van het Schelde-estuarium. De gepresenteerde eerstelijnsrapportages hebben hiervoor waardevolle input geleverd.