Aanwas
Aan een kust of oever door afzetting van materiaal ontstane strook nieuw land.
Achterlandverbinding
de transportverbinding tussen havens en regio’s in het achterland.
Agger
Kortstondige rijzing van het zeewater gedurende de tijd van het eb.
Anadrome vissen
Vissen die opgroeien in zee en zich voortplanten in binnenwateren.
Archeologie
Wetenschap die een bepaalde cultuur of samenlevingsvorm in een bepaalde periode in het verleden tracht te doorgronden met behulp van bodemvondsten en andere (stoffelijke) overblijfselen.
Areaal
Oppervlakte, grootte van een bepaald gebied.
Baggerspecie
bodemmateriaal dat vrijkomt bij baggeren.
Baseflow
De baseflow is het gedeelte van de de streamflow dat afkomstig is van "de som van de diepe ondergrond stroom en vertraagde ondiepe ondergrond flow". Het moet niet worden verward met grondwaterstroming.
Beneden-Zeeschelde
de Schelde tussen de Rupelmonding en de Belgisch-Nederlandse grens (fysisch) of de Schelde tussen de Belgisch-Nederlandse grens en het opwaarts einde van de Rede van Antwerpen (juridisch).
Binnendijks (Nederlands)
De landzijde van de dijk. Wordt vaak gebruikt in relatie tot natuurontwikkeling, direct achter de dijk.In Vlaanderen zijn binnendijkse gebieden gelegen aan de 'waterkant' van de dijk.
Binnendijks (Vlaams)
Aan de 'waterkant' van de dijk. Wordt vaak gebruikt in relatie tot natuurontwikkeling van schorren en slikken.In Nederland wordt het begrip gebruikt om de landzijde van de dijk aan te duiden.
Boven-Zeeschelde
de Schelde tussen Gent en de Rupelmonding.
Boven-Schelde
Scheldeopwaarts van Gent.
Buitendijks (Nederlands)
Aan de 'waterkant' van de dijk. Wordt veel gebruikt in combinatie met natuurcompensatie: Buitendijkse natuurcompensatie is het ontwikkelen van natuurgebieden (voornamelijk schorren en slikkengebied) in de Westerschelde, tegen de oevers (dijk) aan.In Vlaanderen wordt het begrip buitendijks gebruikt om het gebied aan de landzijde van de dijk aan te duiden.
Buitendijks (Vlaams)
Aan de landzijde van de dijk. Wordt veel gebruikt in combinatie met natuurontwikkeling. In Nederland wordt deze term gebruikt voor het gebied aan de waterkant van de dijk, in de rivier dus.
Lage duinrug ontstaan door de opeenhoping van dekzand. Het merendeel van deze hoogtes zijn ontstaan in de late ijstijd. Het landschap van de Vlaamse Vallei en zijn vertakkingen wordt gekenmerkt door lage oost-west gerichte dekzandruggen die ontstaan zijn door de werking van de wind in het Laat-Galciaal. De grootste zandrug strekt zich uit tussenMaldegem en Stekene.
Met cuesta wordt binnen de structurele geologie een asymmetrische berg of heuvel bedoeld; de helling naar de ene zijde toe is steiler dan de helling 180 graden daarop. Een cuesta ontstaat geomorfologisch doordat de gesteentelagen parallel aan de bedding.
Diepgang
diepte tot waar een schip zich onder de waterspiegel uitstrekt.
Donk
Een hoger gelegen plek in het landschap. Veelal een zandheuvel in een rivierengebied.
Eroderen
wegslijten van land door wind en water.
Estuarien Systeem
het geheel van structuren (zandplaten, schorren, geulen) en processen (fysisch, chemisch en biologisch) dat door het getij wordt beïnvloed van de rivier tot in de zee.
Estuarium
Riviermonding, daar waar de rivier in de zee uitkomt. De belangrijkste kenmerken van een estuarium zijn de mengeling van zoet en zout water en het bestaan van hoog en laag water.
Europese Vogel- en Habitatrichtlijn
Europese richtlijnen uit 1979 (vogel) en 1992 (Habitat), die zich richten op bescherming van gebieden die vanuit het behoud van vogels en bepaalde leefgebieden van andere plant- en diersoorten een bijzondere status hebben gekregen.
Externe veiligheidsrisico’s
risico’s als gevolg van ongevallen die kunnen plaatsvinden tijdens productie, opslag, verwerking en transport van gevaarlijke stoffen.
Fysieke systeemkenmerken
de niet biologische kenmerken van het estuarium zoals het meergeulenstelsel, het getij en de zandhuishouding.
Gecontroleerd overstromingsgebied (GOG)
onbewoond laaggelegen landsgedeelte langs een tijrivier dat op gecontroleerde wijze wordt gebruikt als overstromingsgebied.
Geulen
dieper gelegen zones tussen slikken en platen waarin water blijft staan bij laagwater.
Getijdenheuvel
Een getuigenheuvel is in Vlaanderen de benaming voor een heuvel met een bepaalde geologische oorsprong. De vorm van de heuvel is daarbij een aanduiding ('getuige') voor hoe het landschap er lang geleden uitzag. Getuigenheuvels vinden hun oorsprong in het Laat-Mioceen. Tijdens deze periode steeg de zeespiegel en kwam heel Vlaanderen onder water te liggen. De zanden die in deze periode zijn afgezet worden de zanden van genoemd (-zanden).
Getijdenrivier
Rivier waarin de invloed van de getijden, eb en vloed, merkbaar is
Habitat
natuurlijk woongebied van een organisme of een levensgemeenschap.
Herstelmaatregelen
maatregelen die nodig zijn om de achteruitgang van het estuarium door bepaalde ingrepen teniet te doen.
Instandhoudingsdoelstelling
doelstelling voor het ecologisch functioneren van het estuarium die nodig zijn voor de toepassing van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.
Vooral tussen de diepe valleien in bevinden zich hoger gelegen interfluvia. Deze zijn dikwijls cuesta's met oost-zuidoost west-nooordwest oriëntatie. Ze vormen vervlakte terrassen.
Intergetijdengebied
het gebied dat droogvalt bij laagwater en bij hoogwater onder water staat; dit bestaat uit slikken en platen.
Kielspeling
de ruimte tussen de onderkant van een schip en de waterbodem. Deze fluctueert al naar gelang de diepte van het water en hoe zwaar van het schip beladen is en daardoor inzakt.
Kolenwoud
Het Kolenwoud, in Latijnse kronieken Silva Carbonaria genoemd, is de naam van het oerbos dat zich uitstrekte in Gallië vanaf Brabant tot Picardië en eens het middendeel van België bedekte. Het huidige Zoniënwoud, het Hallerbos, het Buggenhoutbos, het Heverleebos, het Neigembos, het Meerdaalwoud, het Kravaalbos en het bos van La Houssière zijn er allen restanten van.
Komgebieden izjn van oudsher laaggelegen en natte gebieden die overstromingsgevoelig zijn en zich vóór de bedijkingen kenmerkten als ontoegankelijkee moerasgebieden. Bij hoog water en onder rustige omstandigheden zetten zich hier de kleinste riviersedimenten, zoals kleideeltjes, af. In het noordelijk deel van de Vlaamse Vallei, ten zuiden van de oost-west gerichte dekzandrug, ontstonden veel komgebieden met meren en plassen. Verschillende plaatsnamen verwijzen nog naar deze depressies: Poekmoere bij Eeklo, Moerbeke in de Moervaartdepressie.
Kenmerkend voor meanderende rivieren zijn kronkelwaarden. Een reliëf van sikkelvormige richels en geulen in de binnenbocht en afkalving van oevers in de buitenbocht van een vrij meanderende rivier. Hierdoor schoof de bedding tijdens elk hoogwater stelselmatig op.
Kustpolder
De kustpolders bevinden zich landinwaarts van de Zeeduinen en beslaan een brede strook parallel aan de kustlijn. De hoogte varieert van 0 tot 5 meter.
Laaglandrivier
Een typische laaglandrivier wordt gekenmerkt door een brede, vlakke vallei, waarin de rivier vrij haar loop zoekt, dikwijls door meerdere geulen.
Langetermijnvisie Schelde-estuarium
In 2001 politiek vastgesteld document van de Vlaamse en Nederlandse regering waarin het streefbeeld voor 2030 vastgelegd is. De onderdelen zijn: instandhouden van de fysieke systeemkenmerken van het estuarium, maximale bescherming tegen overstromingen, optimale toegankelijkheid voor de Scheldehavens, een gezond en dynamisch ecosysteem en samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen.
Meersen
Meersen zijn laaggelegen, vochtige graslanden in de overstromingsvlakte van een rivier.
Maricultuur
de kweek en/of de ontginning van schelpdieren op zee, in de directe omgeving van de kustlijn (8 à 10km).
Mondingsgebied
de Schelde zeewaarts vanaf Vlissingen.
Monitoringprogramma
vastgesteld programma van metingen om de werking van een complex systeem te doorgronden en/of de effecten van maatregelen en ingrepen te kunnen volgen.
Morfologie
‘vormleer’, in dit geval de vorm van de bodem van de Schelde en de veranderingen daarin, bijvoorbeeld door waterbeweging en transport van sediment.
NAP (Normaal Amsterdams Peil)
In België gebruikt men TAW (Tweede Algemene Waterpassing) als referentie voor het aanduiden van hoogten. In Nederland is NAP (Normaal Amsterdams Peil) de standaard. Voor het Scheldegebied geldt dat TAW 2.33 m lager is dan NAP.
Nieuwlandpolder
Polders die onstaan als op- of aanwas. Aanvankelijk als kleine bedijkte delen die bij het oudland werden gevoegd, later (vooral na 1500) volgens plan ontwikkelde en bedijkte grotere gebieden.
OEI-leidraad
sinds 2005 hanteert Nederland een nieuwe leidraad bij haar politieke besluitvorming. Ze staat voor Onderzoek, Effecten en Infrastructuurwerken.
Verhevenheid aan de buitenkant van de meanders, onstaan door afzetting van de rivier, telkens deze buiten haar oevers treedt bij overstromingen.
Ontwikkelingsschets2010
een plan met daarin een samenhangend pakket van maatregelen en projecten voor de ontwikkeling van het Schelde-estuarium op korte en middellange termijn (2010).
Permanente Commissie
Permanente Commissie van toezicht op de scheldevaart: België en Nederland zijn de verplichting aangegaan de Westerschelde bevaarbaar te houden, elk voor zijn gedeelte van de Schelde en daar de nodige tonnen en boeien te plaatsen. Voor het toezicht op de scheepvaart bestemd voor Vlaamse Scheldehavens (Scheldevaart) is in 1839 de Belgisch-Nederlandse Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart opgericht.
Planfase Ontwikkelingsschets
het formaliseren van de Ontwikkelingsschets in een juridisch bindende vorm in beide landen. Van de besluiten in deze planfase zal reeds juridisch bindende werking uitgaan (bindend voor andere overheden en/of burgers).
Platen
verhoogde zones in het midden van een estuarium die overstromen bij hoogtij.
Projectfase Ontwikkelingsschets
het in detail uitwerken van de verschillende projecten, wellicht met inbegrip van project-m.e.r. en Habitattoets. De resultaten van deze projectfase zullen onder meer uitvoeringsvergunningen en onteigeningsmachtigingen zijn.
Projectleider
de projectleider draagt, in samenwerking met de bevoegde instanties in Vlaanderen en Nederland, onderzoek op, zorgt voor begeleiding van dit onderzoek, begeleidt de procedures en de inbreng van belanghebbenden en verzorgt de communicatie over hun project.
Regenrivier
Een regenrivier is een rivier die volledig wordt gevoed door regen- en of grondwater. Dit in tegenstelling tot gemengde en gletsjerrivieren. Kenmerkend voor een regenrivier is dat de waterstanden sterk kunnen wisselen. tijdens regenperioden is het debiet van de rivier groot, terwijl in (langere) droge perioden de rivier vaak een lage waterstand kent. In Nederland en Vlaanderen komen we met uitzonderingen van de Rijn en haar aftakkingen alleen maar regenrivieren tegen, waarvan de Maas en de Schelde wel de bekendste zijn. De rijn en haar aftakkingen zijn gemengde rivieren,omdat deze rivieren behalve door regenwater, in de Alpen ook worden gevoed door gletsjers.
Een rivierduin ontstaat door zandafzetting door een rivier. Het droge zand waait op en vormt een heuvel met een eigen biotoop.In de alluviale valleien van de Leie en de Schelde komen lokaal rivierduinen voor, ontstaan in het Laat-Glaciaal tijdens een koude en droger periode. Zo kent men de duinmassieven van Berlare, Heusden en Sint-Martens-Latem.
Rivierpolder
(ook: zomerpolder) Polder in de uiterwaarden van de rivieren begrensd door de zomerdijk aan de kant van de rivier en landinwaarts door de winterdijk. De zomerkaden bieden wel bescherming tegen de zomerstanden van de rivier, maar niet tegen de hoogste waterstanden in de winter. Deze polders stromen dan vol en maken zo deel uit van het winterbed van de rivier.
Schelde-estuarium
deel van de Schelde onder invloed van het getij, bestaande uit de Boven- en Beneden-Zeeschelde, de Westerschelde en het mondingsgebied.
Schelde-Landschapspark
het Schelde-Landschapspark is een forum van samenwerkende Vlaamse gemeenten, provincies en het Vlaams Gewest. Deze bestuurlijke samenwerking moet ertoe leiden dat projecten op gebied van natuur, landschap, stedenbouw, landbouw en infrastructuur versneld kunnen worden uitgevoerd.
Schorren
hoger gelegen, begroeide gedeelte van de oevers van een tijrivier die afhankelijk van de hoogte, dagelijks tot enkele malen per jaar worden overspoeld.
Sigmaplan
het Vlaamse Sigmaplan werd in 1978 opgesteld omdat het veiligheidsniveau tegen overstromingen rond de Zeeschelde onvoldoende was. Het plan moest ervoor zorgen dat het gehele Zeescheldebekken is beschermd tegen stormvloeden. Dit plan wordt thans geactualiseerd.
Slaperdijk
Een slaperdijk is een landinwaarts gelegen reservedijk bij een zeedijk, op een plaats waar het risico van dijkdoorbraak groot is. De slaperdijk houdt het water tegen in geval de eerste waterdijk zou bezwijken.
Slikken
het gedeelte van de oever van een tijrivier dat bij vrijwel elk hoogwater overstroomt.
Stortstrategie voor het onderhoudsbaggerwerk
de manier waarop er omgegaan wordt met de stort van de baggerspecie nodig om een afgesproken vaardiepte te kunnen handhaven.
Streefbeeld
een door de regeringen vastgesteld toekomstbeeld voor het estuarium, dat richtinggevend is voor het handelen op de korte en middellange termijn.
Technische Scheldecommissie (TSC):
was tussen 1948 en 2008 het ambtelijk overleg tussen Vlaanderen en Nederland over alle technische aangelegenheden van het Schelde-estuarium. De Technische Scheldecommissie functioneerde als voorportaal voor het overleg tussen de bewindslieden van Vlaanderen en Nederland en bereidde de besluitvorming van dit overleg voor.
Tijrivier
rivier waarin de waterstand wordt bepaald door de getijden.
Uiterwaard
Een uiterwaard (ook: uiterwaarde en uiterdijk) is het overloopgebied tussen zomerdijk en winterdijk langs een beek of rivier. Het is de ruimte voor de rivier die nodig is om de tijdelijke piekafvoeren te bergen: in perioden van grote waterafvoer lopen de uiterwaarden tot aan de winterdijken onder water.
Vloeiweide
Een vloeiweide (in Vlaanderen Watering genaamd) is een perceel grasland dat men laat onderlopen met een laagje water, teneinde de opbrengst ervan te verhogen. Dit water zal voedselrijk en vaak ook kalkrijk moeten zijn.
Westerschelde
de Schelde van de Belgisch-Nederlandse grens tot Vlissingen.
Wetland
waterrijk of moerassig gebied.
Een wiel ontstaat op de plaats waar een dijk overstroomt of doorbreekt. Het water schuurt achter de dijk een gat uit. Dit gat heet een wiel, waai of kolk. Het door het water opgewoelde materiaal wordt als een waaier rond het wiel uitgespreid en vormt een overslaggrond.
winterdijk
De winterdijk is de dijk langs een rivier die bij hoge waterstand overstroming van omliggende gebieden voorkomt. In normale sitiuaties komt het water slechts tot de lagere en dicht bij de rivier liggende zomerdijk te staan. Het gebied tussen zomer- en winterdijk heet de uiterwaarden.
Zeereservaat
met het oog op natuurwaarden beschermd zeegebied.
Zeescheldebekken
het Zeescheldebekken omvat de Zeeschelde, de Durme vanaf Lokeren, de Zenne vanaf Vilvoorde, de Dijle vanaf Werchter, de Kleine Nete vanaf Grobbendonk, de Grote Nete vanaf Oosterlo en de Rupel inclusief de bijhorende valleigebieden.
Zomerdijk
Ook wel zomerkade genoemd. Een zomerdijk is een dijk die lager is dan de winterdijk en heel dicht bij de rivier ligt. Bij springtij stroomt het water over de zomerdijk.