Dijken en dammen

De Schelde bestond vroeger uit een stelsel van diverse hoofd- en zijgeulen en kronkelde veel meer dan nu. Om land te winnen wierpen de oeverbewoners al in de tiende eeuw dijkjes op. In de eeuwen die daarop volgden, werden niet alleen de dijken verhoogd en verstevigd, maar werden van ganse Scheldetrajecten de natuurlijke meanders doorstoken. Zo kon de mens zichzelf en zijn goederen sneller verplaatsen.

Afgesneden meanders als stille getuigen
Tot in de twintigste eeuw ging men door met het rechtrekken van de Schelde. De rivier verkorte maar liefst 10,5 kilometer. Veel afgesneden meanders zijn gedempt en omgevormd tot landbouw- of bosgrond. Toch vormen enkele afgesneden meanders nog stille getuigen van hoe de Schelde er vroeger bij lag. Het zijn vaak prachtige natuurgebieden waar zich een bijzondere flora en fauna ontwikkeld heeft.

Waterhuishouding dooreen geschud
Het rechttrekkenen inpolderen van de Schelde mocht dan wel een positieve invloed hebben op de economie, de waterhuishouding in Vlaanderen en Nederland werd grondig dooreen geschud. De rivier kan veel minder water bergen, waardoor er sneller overstromingsgevaar ontstond. Door het tekort aan bergingscapaciteit kan de Schelde overtollig water moeilijker ‘slikken’. Ook ingrepen op de bovenrivieren zorgen ervoor dat grote hoeveelheden water sneller in de Schelde terechtkomen en stroomafwaarts problemen veroorzaken. 

Verlies van biodiversiteit
Dat sommige afgesneden meanders waardevolle natuurgebieden zijn, weegt echter niet op tegen het biodiversiteitverlies dat het gevolg is van het rechtrekken van de Schelde. Het is een directe aantasting van de natuurlijke morfologie van de rivier en heeft een ingrijpend effect op de band tussen de rivier en haar vallei. Riviergebonden leefgebieden, vaak natuurlijke overstromingsgebieden, gingen onherroepelijk verloren.