Zoet, brak, zout
In het Schelde-estuarium mengt het zoete water uit het Scheldestroomgebied zich met het zoute water uit de Noordzee. Dat resulteert over een afstand van tientallen kilometers in een geleidelijke overgang van zoet naar zout. Deze zoutgradiënt is een van de kenmerken die het Schelde-estuarium zo bijzonder maken.
Grote variaties
Het meeste zoete water komt van de Schelde zelf, die per seconde zo’n 100 m³ water aanvoert. Daarvan brengen de zijrivieren 40 m³ per seconde in de Schelde. De aanvoer van zoet water is niet alleen over veel plaatsen verdeeld, maar ook sterk afhankelijk van het weer en het seizoen. Ook de zoutwateraanvoer varieert sterk, door de doodtij- en springtijcyclus. Bovendien hebben stormvloeden een grote invloed op de getijden en de aanvoer van zout water.
Tegenwoordig stroomt er minder zoet water naar het estuarium dan vroeger. Dat komt omdat er in het stroomgebied van de Schelde diverse afleidingen en kanalen zijn, die het water rechtstreeks naar zee afvoeren. Het zoute water dringt vandaag verder door in het estuarium dan vroeger. Dat komt door de vermindering van zoet water, maar ook door het uitdiepen van de vaargeul, inpolderingen, het verlanden van oevers en de stijging van de zeespiegel.
Drie delen
Hoe verder stroomafwaarts, hoe hoger het zoutgehalte. Op basis van het zoutgehalte wordt het Schelde-estuarium grofweg in drie delen opgedeeld:
- de zoute zone tussen Vlissingen en Hansweert
- de brakke zone tussen Hansweert en Rupelmonde
- de zoete zone stroomopwaarts Rupelmonde