Leefgebieden
Door de sterke stroming in het Schelde-estuarium worden grote hoeveelheden zand en slib aan- en afgevoerd. Op sommige plaatsen wordt de bedding uitgeschuurd, op andere plaatsen is er sedimentatie. De structuur van de bedding en de oevers is daardoor heel uiteenlopend. Vanuit de lucht is duidelijk te zien hoe slikken, platen, schorren en geulen elkaar afwisselen. Deze structuren vormen een lappendeken van leefgebieden, elk met zijn eigen, bijzondere bewoners.
Slikken en platen
Slikken zijn die delen van de oever die bij vloed (twee maal per dag) overspoeld worden. Bij laag water komen de slikken droog te staan en in het midden van de rivier komen ook de platen boven water. In deze extreme omstandigheden kunnen maar weinig soorten overleven. Planten krijgen hier nauwelijks de kans om te groeien. Slikken en platen geven vooral onderdak aan miljoenen bodemdiertjes zoals wormen, krabben, kreeftjes en schelpdieren. Ze vormen ook de ideale rust- en foerageerplaats voor vogels.
Schorren
Op de hoger gelegen delen, de schorren, komen wel planten voor. Deze zones lopen alleen bij springtij onder, dit is gemiddeld maar zo’n twee keer per maand. Op jonge schorren, die nog vaker onderstromen, groeien pioniersoorten zoals zeekraal en Engels slijkgras. Hoe hoger een schor, hoe droger. Op de droge schorren kunnen zoutminnende plantensoorten zoals zeeaster, gewoon kweldergras en zoutmelde zich vestigen. De plantengroei blijft hier relatief laag in vergelijking met de weelderige vloedbossen in de zoetwaterschorren stroomopwaarts van de Rupelmonding.
Geulen en kreken
Als het water zich terugtrekt van de schorren, blijft nog een deel water in de geulen en kreken staan. Geulen en kreken vormen een belangrijke transportweg voor voedingsstoffen en sedimenten.